Scheepstrakabinet

Pim en Mien

front_03

Kleine kinderen worden groot. Zo was het vroeger en zo zal het altijd zijn. Daarom verscheen in 1907 een nieuwe serie leesboekjes als vervolg op de boekjes van de leesplank: Pim en Mien. Een serie bestaande uit vier deeltjes, stukjes genaamd.

Bij de invulling van Pim en Mien koos Scheepstra voor een enigszins vermogend milieu. Het zijn zeer eenvoudige verhaaltjes geworden met één-lettergrepige woordjes. Deze werden door de kinderen bijna onmiddellijk begrepen. De vertelling was voor kleine kinderen altijd boeiend, wat in die tijd heel uitzonderlijk was. Het verhaal speelt in de stad Groningen en naast Pim en Mien waren er nog verschillende andere broertjes en zusjes in huis. Alles op een onnavolgbare wijze in beeld gebracht door de beroemde illustrator Cornelis Jetses.

Pim en Mien mag worden beschouwd als de voorloper van de beroemdste leesserie die het Nederlandse onderwijs heeft voortgebracht: de boekjes van Ot en Sien.

Fragment uit het boek:

PimenMien2Pim en Mien zijn weer bij Moe-der in de ka-mer.
Jan en Lien zijn er ook.
Va-der is er ook weer.
Roos-je zit in haar stoel-tje.
Ze zijn al-le-maal bij el-kaar.
“Wil-len jul-lie een ap-pel?” vraagt Moe-der.
“Graag Moe-der,” zegt Jan.
“Ja, ik ook graag,” zegt Lien.
“Zijn ze zoet of zuur?”
“Ik heb zoet en zu-re.
Maar ik ken ze niet uit el-kaar.”
“Ja, Moe-der!” roept Mien, “ik wel.”
“Ik ook wel Moe-der,” zegt Pim.
“Jul-lie wel?” zegt Moe-der.
“Hoe kan dat?”
Ze gaat naar de kast.
En ze ziet de ap-pels.
“O, o, wie heeft dat ge-daan?”
“Wij,” zegt Pim
“Uit de zoe-te mist een stuk-je.
En in de zu-re staan tan-den.”
“Ja,” zegt Mien.
“Nu kunt u het goed zien.
Kijk, dat is een zu-re.
En dat is een zoe-te.”

image044image040 image042