Scheepstrakabinet

Het volle leven

In 1890 ontwierp de Stienser hoofdonderwijzer M.B. Hoogeveen een leesplankje om zijn eigen zoontje te leren lezen. Het uitgangspunt was dat de klanken en de letters van de grondwoorden gemakkelijk herkend en samengevoegd konden worden.

De firma Brinkgeve te Deventer bracht de methode op de markt, maar door teleurstellende verkoopcijfers werden de rechten in 1904 verkocht aan de uitgeverij J.B. Wolters te Groningen.

Deze benaderde de pedagogen Ligthart en Scheepstra voor het schrijven van een zestal begeleidende leesboekjes en zo ontstond het klassiek geworden leesplankje: Aap-Noot-Mies.

Vanaf 1893 schreef Scheepstra een 5-tal onderwijsboekjes voor de uitgeverij J.B. Wolters te Groningen, merendeels gericht op de natuurkennis. In 1897 verzocht J.B. Wolters aan Scheepstra leesboekjes te schrijven voor de hogere klassen van de lagere school. Daar Scheepstra dit niet direct aandurfde, raadpleegde hij, op aanraden van de uitgever, Jan Ligthart. Deze wilde wel meewerken mits ze iets nieuws creëerden en de boekjes geen bloemlezing van bestaande teksten bevatten.

Omdat ze beiden van het kind uitgingen en niet autoritair dachten, ontstond een vriendschap voor het leven. De stelling van de beide pedagogen met betrekking tot het lager onderwijs was: ‘De wereld ligt rondom de mens in concentrische kringen’. Ligthart en Scheepstra kozen volgens een bepaalde methode de weg van de bewustwording van het kind. Een methode die de gehele lagere school door liep.

Het lesmateriaal bestond uit verschillende series schoolplaten met handleidingen en schoolleesboekjes. De volgorde van de leesboekjes was niet willekeurig, maar werd bewust gekozen. De speurtocht van het kind begint in de huiskamer: ‘Nog bij moeder’. Dan komt de nabije omgeving: ‘Buurkinderen’. Het eigen land: ‘Dicht bij huis’. En tenslotte de rest van de wereld: ‘De wereld in’. Iedere keer staan dezelfde thema’s centraal.

Er wordt gesproken over het werken, de middelen van bestaan en de verhoudingen van de mensen onderling. Gekozen wordt uit een bonte verscheidenheid aan natuurlijk kinderleven, omdat het gegrepen is uit dat leven zelf, zoals dit in een gelukkig gezinsleven opbloeit.

Ligthart en Scheepstra zagen hun schoolboekjes als een  literaire afronding van een totaal-leerplan, dat zij noemden:  ‘Het Volle Leven’.