Scheepstrakabinet

De wereld in!

image036

‘De wereld in’ betekent het einde van een periode en tevens het begin van een nieuwe fase in het leven van ieder kind. En dat is best heftig! Het betekent afscheid nemen van de geborgenheid van de lagere schoolperiode. En dat gaat met weemoed bij de meesters, juffrouwen en de kinderen die lange tijd met elkaar hebben opgetrokken. Het klimaat bij het voortgezet onderwijs is van een andere orde. Trouwens in die tijd (1900), was hetgeen vanzelfsprekendheid dat kinderen doorleerden. De meesten moesten meteen aan het werk om bij te verdienen. Dikwijls uit nood geboren, om hun ouders financieel bij te staan.

De wereld in! bestond uit acht deeltjes. De eerste vier deeltjes, geschreven door Ligthart, de laatste vier door Scheepstra. Alle geïllustreerd door W.K. de Bruin. In 1911 zijn de boekjes herschreven, met aanvulling van talrijke tekeningen van Cornelis Jetses.

Het bijzondere van deze boekjes was, dat in de vertelling het eigen gezin van de auteurs centraal stond. Bet en Zus waren de eigen kinderen van Jan en Marie Ligthart. Ko en Tine evenzo bij Hindericus en Willemijn Scheepstra. Met bijvoeging van nog enige andere kinderen. De boekjes hadden een link met Zuid-Afrika Transvaal, het land van ‘kaffers’ en boeren, Oranje Vrijstaat, Paul Kruger. Verder waren er oorspronkelijke vertellingen in opgenomen. Vooral in de laatste deeltjes. De vertelling van de vissersramp in 1883 in Paesens-Moddergat liet geen kind onberoerd.

In het laatste deeltje wordt Scheepstra wel heel persoonlijk, bijna emotioneel, naar zijn kinderen: ‘Voor de ons bekende kinderenjaren waren voor de meeste de leerjaren voorbij. Doch we kunnen hen op hun verdere reis niet volgen. We moeten afscheid van hen nemen. Laat het zijn met de hartelijke wens dat ze, het zij dicht bij huis of in de verre vreemde, overal mogen meenemen het goud van een braaf hart, het goud van een goede gezondheid en het goud van een degelijk bestaan. Ze gaan nu de echte wereld in zonder leiding van ouders en onderwijzers. ‘

Fragment uit ‘De wereld in!’:

Op een van de vrije dagen stapte Vader met zijn drie kinderen ’s morgens al om acht uur de deur uit. Eerst gingen ze Tom halen, die mocht ook mee. Maar kleine Jantje moest thuis blijven. De tocht was voor hem te vermoeiend. Moeder bleef bij haar jongste lieveling.
Van Tom ging het naar de tram. Dát was al prettig, zo met zijn allen in de tram te zitten. Maar die rit duurde niet lang. Na een klein half uur hield de tram stil en stapten de reizigers uit.
Frits droeg een trommel met boterhammen, en Tom een paar flessen melk. Betje had een emmertje met koekjes bij zich, en Zus droeg in haar emmertje twee glazen. Natuurlijk had ieder een schop.
Regelrecht liep ons troepje naar het strand. Gauw gingen de schoenen en kousen uit, en nu begon de arbeid. ’t Was wel vreemd: de kinderen waren gegaan, om te spelen, en ze werkten, alsof ze echte arbeiders waren, die er hun brood mee moesten verdienen.
De jongens maakten een berg van zand, en daar omheen een diepe gracht. Van de gracht naar de zee groeven ze een kanaal. Dan moest het water uit de zee door het kanaal naar de gracht lopen. Dat werk was niet zo spoedig klaar.
De meisjes wilden liever een kuil graven. Dat was dan een vijver. Met hun emmertjes schepten ze water uit de zee, en wierpen dat in hun vijver. ’t Was een aardig gezicht, als ze met hun korte rokjes en blote beentjes daar zo heen en weer trippelden. De jongens hadden hun broekspijpen zo hoog mogelijk opgetrokken.
En wat deed Vader intussen? O, dat kon de kinderen niet schelen, als zij maar spelen konden.